Een zeemeermin, een staatsgreep en kannibalen

In mei 2012 ben ik naar de Salone del Libro in Turijn geweest en op de terugweg kon mijn koffer nog maar net dicht. Tussen de boek die ik heb meegenomen, zat ook dit boek. De schrijfster, Silvana Gandolfini, is vooral erg populair bij de jongere lezers. In 1996 won ze de Premio Andersen voor haar boek L’isola del tempo perso en in datzelfde jaar werd ze ook uitgeroepen tot Italiaanse schrijfster van het jaar.
Het boek Il club degli amici immaginari [De club van de denkbeeldige vriendjes] is een soort vervolg op L’isola del tempo perso. Ik heb dat boek echter nog niet gelezen, Il club degli amici immaginari is het eerst boek dat ik van deze schrijfster gelezen heb en ik ben onder de indruk.
Ik mag dan wel niet meer in de leeftijdscategorie vallen waarvoor dit boek bedoeld is, maar ik had geen enkel moment het idee dat ik een jeugdboek aan het lezen was. Gandolfini heeft een prettige schrijfstijl, eenvoudig zonder dat je het idee hebt dat je niet serieus genomen wordt als lezer. Ze beschrijft de personages, de situaties en de omgeving op zo’n manier dat er ook ruimte is voor je eigen verbeelding. Vanaf de eerste pagina zit je in het verhaal.

Oscar is bijna tien jaar oud, heeft superhersens en zwakke longen; daarom brengt hij zijn zomervakanties door aan het strand, met zijn ouders, in een afgelegen huis, omringd door de rotsen in de inham van Portopidocchio. Tijdens een vollemaansnacht gaat Oscar stiekem naar het strand. Daar zit Mia, een jonge zeemeermin, op een rots op hem te wachten. Ze is super mooi en roekeloos. Ze spoort Oscar aan om naar het Eiland van de Verloren Tijd te vluchten, ver weg van de Rechter, zijn strenge en autoritaire vader. Maar niet alles loopt op rolletjes: een groep Kannibalen heeft het Eiland verlaten en is neergekomen op Aarde om een staatsgreep te plegen. Mia heeft echter een plan: het verzamelen van een klein leger denkbeeldige vriendjes om de Kannibalen te verslaan die het Paleis van de Macht al veroverd hebben. Daniele, Chewing, het Poepkind, Aelita, Spartacus en de Lachende Tijger zijn slechts enkele van de DVVB’s (Denkbeeldige Vriendjes Verlaten door hun Bedenker) die Oscar en Mia vergezellen in deze onderneming.

Ik heb nooit een denkbeeldig vriendje gehad toen ik opgroeide en nu denk ik dat ik heel wat avonturen gemist heb. En dat Eiland van de Verloren Tijd (Isola del Tempo Perso) lijkt me een mooie plek voor een vakantie.
Ik heb meegeleefd met Oscar en Mia, maar ook met de Rechter. Zo star en streng door het leven gaan lijkt me geen pretje.
De tekeningen, die gemaakt zijn door Giulia Orecchia, vergroten het leesplezier. Het zijn treffende zwart-wit tekeningen die een extra dimensie aan het verhaal geven. Juist omdat ze niet te gedetailleerd zijn, zijn de personages en de scenes zo herkenbaar. Er is genoeg ruimte om je eigen voorstelling in te vullen in de tekening.

Il club degli amici immaginari is voor volwassenen misschien nog wel leuker dan voor kinderen. Denkbeeldige vriendjes, een eiland waar je eeuwig jong blijft en vooral veel avontuur, wie heeft de ‘echte wereld’ nog nodig?

Literaire fragmenten

Ik las altijd al veel, maar sinds ik studeer aan de Vertalersvakschool, is mijn repertoire behoorlijk uitgebreid. In mijn boekenkast staan al aardig wat Nederlandse literaire klassiekers (dankzij mijn oom, docent Nederlands), maar die heb ik stelselmatig weten te vermijden, op enkele uitzonderingen na. Daar is nu verandering in gekomen. Als literair vertaler moet je veel lezen en gelezen hebben, in je bron- en je doeltaal en niet alleen de boeken die je leuk vindt. Toen ik twee weken terug voor een huiswerkopdracht het voor- en nawoord van Tsjip – De Leeuwentemmer van Willem Elschot moest lezen, besloot ik het hele boek te lezen. Wat was dat leuk en ontroerend en mooi geschreven. Voor wie dit boek (nog) niet gelezen heeft: Elschot beschrijft hoe de komst van zijn eerste kleinkind, Tsjip, zijn leven veranderd heeft. Bij de beschrijving van de eerste ontmoeting tussen grootvader en kleinzoon hield ik het niet droog. Het desbetreffende fragment heb ik direct overgenomen, om hier nog eens van te genieten, en een nieuw blogidee was geboren. Met ingang van deze blogpost deel ik eens in de zoveel tijd een tekstfragment dat mij geraakt heeft. En met het Elschotfragment trap ik af:

Tsjip -De Leeuwentemmer, Willem Elschot, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2001, 79-80.
Zo staan wij tegenover elkander. Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter. Hij kijkt mij rustig aan, steekt aarzelend zijn handjes uit en komt op mijn arm zitten.
‘Neem een doek,’ zegt mijn vrouw, maar wij zijn reeds op weg.
Wij wandelen de tuin door, hij zonder te huilen, ik zonder spraak. Op Walters veld wordt hij door onze mussen begroet. Ik blijf staan en zeg ‘Tsjip’. En in zijn mondhoeken ontluikt een glimlach.
Ja jongen, voortaan heet jij Tsjip. Jij komt mij hier ontzetten uit mijn hoofdrol en dan mag ik je wel herdopen, vind ik.
Ik ga met hem rond en toon hem al dat moois: de zonnebloemen, de bonen, de erwten en de aalbessen. Zelfs de aardappelen worden niet vergeten. Zijn linkerhandje ligt in mijn hals en met het andere pakt hij naar het groen, naar de bloemen en naar mijn neus.
Als hij hem eindelijk beet heeft is ons verbond gesloten. Tsjip en ik zijn gezworen kameraden. Samen zullen wij door dik en dun gaan, ik voorop. En ieder krijgt zijn werk. Terwijl ik de doornen kap kan hij de bloemen plukken. Langs de baan zal ik hem onderrichten: dat hij veel doen moet van wat ik heb nagelaten en veel nalaten van wat ik heb gedaan; dat hij de gevulde hand moet afstoten; dat hij niet bukken mag voor ’t geweld, juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers. Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen. Ik zal met hem het lied der bevrijding aanheffen en zo bereiken wij samen het land waar die gouden vogel jubelt, véél hoger dan de leeuwerik. Zijn blik zal de boze bedaren; voor rotswanden zal hij de bazuin steken. Geen drek, geen tranen die ons stuiten, want ik zal waden en hij zit op mijn schouder.

 

Italiaanse fantasy

Net als zoveel mensen ben ik dol op lezen. Tijdens de autoritten naar Zeeland, en later naar Frankrijk, Italië en Kroatië had ik mijn voorraad boeken voor de vakantie al uit. Op de plaats van bestemming aangekomen, verslond ik daarom de boeken die mijn ouders en zusje hadden meegenomen. Op vakantie en ook thuis las ik alles wat los en vast zat. Een voorkeur voor een bepaald genre had ik niet. Daar kwam verandering in nadat ik De Hobbit uit mijn vaders collectie te pakken kreeg. Al snel volgde In de ban van de Ring en toen was het hek van de dam. Inmiddels staat mijn boekenkast niet alleen vol met thrillers, Nederlandse literatuur en Italiaanse literatuur, maar wordt er een groot aantal planken bezet door een mooie collectie fantasy boeken.

Tijdens een bezoek aan de Salone del Libro in Turijn een aantal jaar geleden, ontdekte ik dat Italië rijk is aan fantasy auteurs. Mijn collectie Italiaanse fantasy boeken begon met Il fuoco della fenice van Luca Azzolini, gekregen op de Salone del Libro 2010 van de uitgever. Inmiddels neemt deze collectie ook aardig wat planken in beslag en een groot deel is (nog) niet vertaald in het Nederlands.

Een langgekoesterde droom zou uitkomen als ik van een Nederlandse uitgeverij de opdracht zou krijgen één van deze mooie boeken te vertalen.

Om dit proces een handje op weg te helpen, maak ik daarom de komende tijd op mijn blog ongegeneerd reclame voor een aantal van mijn favoriete boeken en natuurlijk voor mezelf. Want wie niet waagt…