Vertaal met je hart

Donderdagmiddag 21 maart 2013 gaf vertaalster, schrijfster en Martinus Nijhoff Vertaalprijs winnares (1975) Barber van de Pol in het Instituto Cervantes in Utrecht een lezing over literair vertalen. De lezing was georganiseerd door de Master Literair Vertalen die in september 2013 aan de Universiteit van Utrecht en aan de KU in Leuven van start gaat.

Master Literair Vertalen

Toen ik net de Master Vertalen aan de UU afgerond had, werd bekend dat men bezig was met het opzetten van een Master Literair Vertalen. Fijn, dacht ik toen, ben ik net klaar, komen ze met de master van mijn dromen. Helaas duurde het best lang om de master daadwerkelijk van de grond te krijgen. Voor mij en andere belangstellenden was dat eigenlijk helemaal niet zo vervelend, want de afgelopen drie jaar heeft de Master Literair Vertalen (toen nog in oprichting) lezingenreeksen georganiseerd die je gratis of voor een kleine bijdrage kan bijwonen. Zo heb ik fijn een paar uur naar een bevlogen Tim Parks mogen luisteren, heeft een uitgever haarfijn uitgelegd hoe het zit met de dynamiek tussen uitgever en vertaler en werd ik afgelopen donderdag geïnspireerd door Barber van de Pol.

Barber van de Pol

Barber van de Pol is vertaalster van onder andere de Spaanse schrijvers Jorge Luis Borges en Julio Cortázar, daarnaast is ze schrijfster, columniste, recensente, docente en natuurlijk Martinus Nijhoff Vertaalprijs winnares.
Ze heeft een zeer uitgesproken mening over literair vertalen, literair vertalers en literair recensenten. Zo gaf ze aan dat klagen hobby numero 1 is van vertalers. Haar antwoord: als je niet tevreden bent, doe er wat aan! Absoluut een open deur, maar het is toch verfrissend om het weer eens te horen. Over literair recensenten is ze ook niet altijd te spreken, omdat er veelal pas in de laatste alinea van een boekbespreking aandacht aan de vertaler besteed wordt en dit gebeurt dan met loze termen als ‘leest als een trein’ en ‘vrijwel foutloos’. De gefundeerde kritiek mist maar al te vaak en dat is erg jammer.
In de anderhalf uur dat ze aan het woord was, heeft Barber van de Pol geprobeerd het literair vertalen weer een beetje schwung te geven. En dat is zeker gelukt.

Inspiratie

Barber van de Pol heeft veel dingen gezegd die een blijvende indruk op me hebben achtergelaten:

Een vertaler is een vertolker, degene die de tekst uitvoert.
Een vertaler is een lezer die zich inleeft en hij/zij kent het boek waarschijnlijk beter dan de schrijver zelf.
Vertalen is helemaal niet zo moeilijk, zolang het hart maar meedoet.
Vertalen is een spectaculaire vorm van hoofdarbeid.
Vertalen hoort bij schrijven en andersom, maar: vertalen is geen vorm van gemankeerd schrijverschap.

En natuurlijk:

Je vertaalt alleen goed uit volledig begrip en complete overgave.

 

Voor foto’s van de lezing, zie de Facebookpagina van het Expertisecentrum Literair Vertalen.

Over verdwenen enveloppen

Voor de lessen Nederlands aan de Vertalersvakschool moeten er niet alleen veel boeken gelezen worden, maar moeten er ook stijlstukjes worden geschreven. En dat valt lang niet altijd mee! Eerst ben ik in de huid van Multatuli gekropen voor een echt Droogstoppel-stukje, daarna waagde ik me aan Couperus en Bordewijk. Het laatste stukje dat ik geschreven heb, is gebaseerd op Nooit meer slapen van W.F. Hermans waarin het hoofdpersonage Alfred zichzelf continu voor de gek houdt. Een kolfje naar mijn hand, zo bleek later, want de tekst rolde binnen een halfuur uit mijn virtuele pen. Ziehier het resultaat:

Over verdwenen enveloppen

Ik heb nog geen uitnodiging ontvangen en dat is vreemd. Het boekenbal is deze maand al en ze hebben mij zeker uitgenodigd. Ze hebben vast gedacht: wat een debuut! Die moeten we uitnodigen! Volgende week ben ik het middelpunt van het boekenbal en sta ik naast schrijvers als Joost Zwagerman en Ramsey Nasr en word ik door hen gelauwerd.

Het bal is volgende week al en altijd ligt de uitnodiging minstens drie weken van tevoren op de mat. Drie weken? Of toch vier? In ieder geval op z’n laatst twee weken van tevoren. Het is nu een week van tevoren en de uitnodiging is er nog niet. Zou de postbode de envelop verloren zijn? Zodra die gedachte in mij opkomt, weet ik dat dit het antwoord moet zijn. De postbode had vorige week natuurlijk een tas vol poststukken. Natuurlijk lag de aan mij geadresseerde uitnodiging net bovenop. Bij het pakken van de post is die uitnodiging vast uit de tas gevallen en op de grond terecht gekomen. Zou de uitnodiging er nog liggen? Het is al een week geleden gebeurd, dus de uitnodiging kan best eens weggewaaid zijn. Of opgeraapt door iemand anders. Maar zou diegene dan niet gedacht hebben ‘Hè, wat vreemd, een brief zomaar op straat, wat is het adres? Ik breng het even langs.’ Dit had gekund, maar het is waarschijnlijker dat de vinder de uitnodiging heeft weggegooid. Uit jaloezie natuurlijk. Gerard van drie huizen verderop heeft al weken niets tegen mij gezegd. Hij heeft vast uit nijd de uitnodiging weggegooid. Maar dan ligt de uitnodiging ergens in een prullenbak of zelfs wel op de vuilnisbelt. Ik raak in paniek, maar bedenk me dan dat de vuilnismannen staken en de prullenbakken al meer dan een week niet geleegd zijn. Dat is een geluk, mijn uitnodiging ligt in een prullenbak niet ver hier vandaan, ze zijn me niet vergeten, maar door de samenloop van omstandigheden is de uitnodiging gewoon niet bij mij terechtgekomen. Als ik gewoon de vuilnisbakken afga, dan vind ik haar vanzelf.

Ik doe mijn jas en schoenen aan en ga naar buiten. Eerst naar links, daar komt de postbode altijd vandaan. De eerste prullenbak staat naast een boom. Hij zit propvol. Daar kan mijn uitnodiging nooit in zitten. Het is zo’n mooie envelop en die prop je niet in een overvolle prullenbak. Nu ik hier zo naast de prullenbak sta, lijkt het me eigenlijk erg onwaarschijnlijk dat zo’n mooie uitnodiging in een goudbedrukte envelop in een prullenbak terechtgekomen is. Nee, de vinder heeft de uitnodiging vast naar het postkantoor gebracht en de envelop ligt nu daar op mij te wachten. Ik ga naar het postkantoor. Welk postkantoor zou het kunnen zijn? Vast het postkantoor in deze wijk. Waar was het postkantoor ook alweer? Ik wil mijn iPhone pakken, maar merk dat ik die thuis heb laten liggen. Eerst naar huis gaan is geen optie, niet nu ik zo dichtbij mijn uitnodiging ben. Dan zonder kaart het postkantoor vinden. Het moet hier in de buurt zijn. Links en rechts staan huizen. Een postkantoor ligt altijd in de buurt van winkels. Die zijn hier niet. Misschien een stuk verderop in deze straat. Of toch de andere straat. Links en rechts lijken sprekend op elkaar. Niets dat op de aanwezigheid van het postkantoor zou kunnen duiden. Ik krijg het er warm van. Door al dat heen en weer lopen, ben ik gaan zweten en is mijn gezicht rood geworden. Zo kan ik niet aan komen lopen bij het postkantoor en mijn uitnodiging halen. Wat zullen ze wel niet denken? En een schrijver van mijn kaliber die zijn uitnodiging op het postkantoor moet afhalen, dat bestaat niet. Nee, het postkantoor valt af.

Wat nu… de zon staat al lager. Mijn huisdeur komt in zicht. In de verte komt er iemand aangefietst. Het is de postbode. Hij komt vast mijn uitnodiging brengen, met excuses. Snel ga ik naar binnen. Jas uit, gezicht afdrogen, haar fatsoeneren. Dan hoor ik een ping! Mijn iPhone ligt in de gang, een mailtje van de uitgeverij. Dat is raar, voor zo’n prestigieus bal verzenden ze de uitnodiging toch niet via de mail? Wellicht is het aanvullende informatie, over het vervoer dat ze voor me regelen. Ik open de mail: manuscript afgewezen.

Literair debuut en geweldige recensies

Op mijn oude website plaatste ik vorige jaar een blog naar aanleiding van mijn eerste gepubliceerde literaire vertaling:

Ik ben dol op lezen. Ik laat me graag meevoeren naar een andere wereld. Stiekem ben ik altijd een beetje jaloers geweest op mijn favoriete schrijvers. Zij nemen hun lezers mee op reis en laten ze even de echte wereld vergeten. En als vertaler zorg je ervoor dat ook mensen die bijvoorbeeld het Italiaans niet machtig zijn, toch die reis kunnen maken. Sinds de middelbare school droom ik er daarom van om in de boekhandel boeken te zien liggen met daarin: vertaling Rianne Aarts.
Met het verschijnen van de verhalenbundel De stedenverzamelaar bij Serena Libri is het eindelijk zover! Op pagina 178 staat het dan: ‘Het wilde hart van Florence werd vertaald door Rianne Aarts.’ Mijn literaire debuut en tegelijkertijd ook het Nederlandse literaire debuut van Enzo Fileno Carabba, de schrijver van dit humoristische verhaal over opticiens, spoken, nijlpaarden en Florence.
Er staan nog meer leuke, mooie, ontroerende, spannende en grappige verhalen in deze bundel. 20 schrijvers en 20 vertalers, en zeker niet de minsten! Denk aan Alessandro Perissinotto vertaald door Tom de Keyzer, Giulio Mozzi vertaald door Jan van der Haar, Nicola Lagioia vertaald door Frans Denissen (winnaar van de Martinus Nijhoff prijs 2011) en Diego De Silva vertaald door Liesbeth Dillo. Het is duidelijk dat ik me in goed gezelschap bevind en dat is een grote eer.
Voor iedereen die benieuwd is naar dit boek, het is te koop bij de boekhandel en ook te bestellen bij de uitgeverij, via: Serena Libri.
Buona lettura!

Het boek is inmiddels bijna een jaar uit en er zijn een paar prachtige recensies verschenen, die ik graag wil delen. Zo schrijft Saskia Balmaekers dat het verhaal over Florence haar favoriete verhaal in de bundel is: Ciao tutti (let vooral op de zin na het leesfragment!) en beschrijft Frank Heinen hoe De stedenverzamelaar het gevoel van het hedendaagse Italië verrassend dicht nadert: 8 weekly.

Lezen dus, die bundel!

 

Een zeemeermin, een staatsgreep en kannibalen

In mei 2012 ben ik naar de Salone del Libro in Turijn geweest en op de terugweg kon mijn koffer nog maar net dicht. Tussen de boek die ik heb meegenomen, zat ook dit boek. De schrijfster, Silvana Gandolfini, is vooral erg populair bij de jongere lezers. In 1996 won ze de Premio Andersen voor haar boek L’isola del tempo perso en in datzelfde jaar werd ze ook uitgeroepen tot Italiaanse schrijfster van het jaar.
Het boek Il club degli amici immaginari [De club van de denkbeeldige vriendjes] is een soort vervolg op L’isola del tempo perso. Ik heb dat boek echter nog niet gelezen, Il club degli amici immaginari is het eerst boek dat ik van deze schrijfster gelezen heb en ik ben onder de indruk.
Ik mag dan wel niet meer in de leeftijdscategorie vallen waarvoor dit boek bedoeld is, maar ik had geen enkel moment het idee dat ik een jeugdboek aan het lezen was. Gandolfini heeft een prettige schrijfstijl, eenvoudig zonder dat je het idee hebt dat je niet serieus genomen wordt als lezer. Ze beschrijft de personages, de situaties en de omgeving op zo’n manier dat er ook ruimte is voor je eigen verbeelding. Vanaf de eerste pagina zit je in het verhaal.

Oscar is bijna tien jaar oud, heeft superhersens en zwakke longen; daarom brengt hij zijn zomervakanties door aan het strand, met zijn ouders, in een afgelegen huis, omringd door de rotsen in de inham van Portopidocchio. Tijdens een vollemaansnacht gaat Oscar stiekem naar het strand. Daar zit Mia, een jonge zeemeermin, op een rots op hem te wachten. Ze is super mooi en roekeloos. Ze spoort Oscar aan om naar het Eiland van de Verloren Tijd te vluchten, ver weg van de Rechter, zijn strenge en autoritaire vader. Maar niet alles loopt op rolletjes: een groep Kannibalen heeft het Eiland verlaten en is neergekomen op Aarde om een staatsgreep te plegen. Mia heeft echter een plan: het verzamelen van een klein leger denkbeeldige vriendjes om de Kannibalen te verslaan die het Paleis van de Macht al veroverd hebben. Daniele, Chewing, het Poepkind, Aelita, Spartacus en de Lachende Tijger zijn slechts enkele van de DVVB’s (Denkbeeldige Vriendjes Verlaten door hun Bedenker) die Oscar en Mia vergezellen in deze onderneming.

Ik heb nooit een denkbeeldig vriendje gehad toen ik opgroeide en nu denk ik dat ik heel wat avonturen gemist heb. En dat Eiland van de Verloren Tijd (Isola del Tempo Perso) lijkt me een mooie plek voor een vakantie.
Ik heb meegeleefd met Oscar en Mia, maar ook met de Rechter. Zo star en streng door het leven gaan lijkt me geen pretje.
De tekeningen, die gemaakt zijn door Giulia Orecchia, vergroten het leesplezier. Het zijn treffende zwart-wit tekeningen die een extra dimensie aan het verhaal geven. Juist omdat ze niet te gedetailleerd zijn, zijn de personages en de scenes zo herkenbaar. Er is genoeg ruimte om je eigen voorstelling in te vullen in de tekening.

Il club degli amici immaginari is voor volwassenen misschien nog wel leuker dan voor kinderen. Denkbeeldige vriendjes, een eiland waar je eeuwig jong blijft en vooral veel avontuur, wie heeft de ‘echte wereld’ nog nodig?

Literaire fragmenten

Ik las altijd al veel, maar sinds ik studeer aan de Vertalersvakschool, is mijn repertoire behoorlijk uitgebreid. In mijn boekenkast staan al aardig wat Nederlandse literaire klassiekers (dankzij mijn oom, docent Nederlands), maar die heb ik stelselmatig weten te vermijden, op enkele uitzonderingen na. Daar is nu verandering in gekomen. Als literair vertaler moet je veel lezen en gelezen hebben, in je bron- en je doeltaal en niet alleen de boeken die je leuk vindt. Toen ik twee weken terug voor een huiswerkopdracht het voor- en nawoord van Tsjip – De Leeuwentemmer van Willem Elschot moest lezen, besloot ik het hele boek te lezen. Wat was dat leuk en ontroerend en mooi geschreven. Voor wie dit boek (nog) niet gelezen heeft: Elschot beschrijft hoe de komst van zijn eerste kleinkind, Tsjip, zijn leven veranderd heeft. Bij de beschrijving van de eerste ontmoeting tussen grootvader en kleinzoon hield ik het niet droog. Het desbetreffende fragment heb ik direct overgenomen, om hier nog eens van te genieten, en een nieuw blogidee was geboren. Met ingang van deze blogpost deel ik eens in de zoveel tijd een tekstfragment dat mij geraakt heeft. En met het Elschotfragment trap ik af:

Tsjip -De Leeuwentemmer, Willem Elschot, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2001, 79-80.
Zo staan wij tegenover elkander. Hij heeft oogjes en een neus als een doodgewoon kind, maar ik weet wel beter. Hij kijkt mij rustig aan, steekt aarzelend zijn handjes uit en komt op mijn arm zitten.
‘Neem een doek,’ zegt mijn vrouw, maar wij zijn reeds op weg.
Wij wandelen de tuin door, hij zonder te huilen, ik zonder spraak. Op Walters veld wordt hij door onze mussen begroet. Ik blijf staan en zeg ‘Tsjip’. En in zijn mondhoeken ontluikt een glimlach.
Ja jongen, voortaan heet jij Tsjip. Jij komt mij hier ontzetten uit mijn hoofdrol en dan mag ik je wel herdopen, vind ik.
Ik ga met hem rond en toon hem al dat moois: de zonnebloemen, de bonen, de erwten en de aalbessen. Zelfs de aardappelen worden niet vergeten. Zijn linkerhandje ligt in mijn hals en met het andere pakt hij naar het groen, naar de bloemen en naar mijn neus.
Als hij hem eindelijk beet heeft is ons verbond gesloten. Tsjip en ik zijn gezworen kameraden. Samen zullen wij door dik en dun gaan, ik voorop. En ieder krijgt zijn werk. Terwijl ik de doornen kap kan hij de bloemen plukken. Langs de baan zal ik hem onderrichten: dat hij veel doen moet van wat ik heb nagelaten en veel nalaten van wat ik heb gedaan; dat hij de gevulde hand moet afstoten; dat hij niet bukken mag voor ’t geweld, juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers. Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen. Ik zal met hem het lied der bevrijding aanheffen en zo bereiken wij samen het land waar die gouden vogel jubelt, véél hoger dan de leeuwerik. Zijn blik zal de boze bedaren; voor rotswanden zal hij de bazuin steken. Geen drek, geen tranen die ons stuiten, want ik zal waden en hij zit op mijn schouder.